Meditatie

bij 2 Korinthiërs 12:1-10 – Een doorn in het vlees

De tijd gaat snel, de tijden veranderen hard. En daar moet je maar mee om weten te gaan. Werkelijk alles staat tegenwoordig ter discussie. Vermoeiend, irritant soms. Om daar in rust mee om te kunnen gaan, dat is niet gemakkelijk. Nee, daar heb je genade voor nodig! Genade? Hoezo genade?

Iemand heeft eens gezegd: “Weet je wat genade is? Genade is dat wat jij nodig hebt, om in jouw situatie tot eer van God te kunnen leven.” Dat vind ik wel een heel mooie omschrijving. Het omvat eigenlijk alles wat God je wil geven en wat jij nódig hebt. Vergeving van zonden door het kruis van Christus! Dat heb je nodig.

Zonder dat ben je een verloren mens. Maar ook al die andere gaven die je in je leven misschien wel als heel gewoon ervaart, je staat er niet zo bij stil, omdat je ze elke dag onbewust kunt koesteren; bed, bad en brood…

Maar er staat in die omschrijving nog een klein zinnetje bij, die deze omschrijving van ‘genade’ voor mij zo bijzonder maakt: Genade is dat wat jij nodig hebt, om in jouw situatie tot eer van God te kunnen leven… Die genade is dus voor een deel voor iedereen gelijk, maar kan deels ook van mens tot mens verschillen… om in jouw situatie tot eer van God te kunnen leven…

Paulus was een tentenmaker. Daarnaast behoorde hij bij de joodse stroming van de Farizeeën; een strikte, wetsgetrouwe groep joden die zeker wisten: om een kind van God te zijn, moet ik strikt de wet, de regels van de Thora naleven. Dát brengt mij dicht bij God! Daarom kénde Paulus de Thora beter dan wie ook!

En de christenen? Het waren in zijn ogen Godslasteraars. Hoe kómen die christenen ertoe te denken dat een kruis van een oproerkraaier vergéving brengt en de weg naar God vrij maakt?! Godslastering vond hij dat. Er is maar één weg naar God en dat is de wet.  Paulus – toen heette hij nog Saulus – had er zijn persoonlijke missie van gemaakt om die godslasteraars op te pakken en voor het gerecht te brengen. Saulus, zijn naam betekent “De gewenste”. Zo voelde hij zichzelf; ik ben een gewenste!

Anderen mogen blij zijn met mij! En God ook!

Dat hij voor God ook een ‘gewenste’ was (maar dan héél anders dan hij ooit had durven cq. wíllen dromen!) ontdekte hij toen hij op een van zijn tochten om christenen op te pakken, door Jezus Zélf werd aangesproken: licht uit de hemel, een bulderende stem die alleen hij kon verstaan… Een hemelse openbaring die zijn leven totaal op z’n kop zette! “Wie bént U?” – vroeg Paulus in die hemelse ontmoeting.

“Ik ben Jezus… die jij vervolgt!” – zei de stem…

Dat was een keerpunt, een om-keerpunt, een be-keerpunt in zijn leven! En in plaats van volgelingen van Jezus bestrijden, werd hij nu geroepen om een zélf een volgeling van Jezus te worden. Een verandering waar je alleen mee om kunt gaan als ‘genade’ je geschonken wordt. En Saulus had de boodschap begrepen, en góed ook. Eén van de eerste dingen die hij deed, was zijn naam veranderen. Van Saulus (de gewenste) werd hij Paulus; “kleintje” betekent dat. Wie ben ik? Ik ben niet veel tegenover die grote God. Ik ben klein en volkomen afhankelijk van de genade van God; van wat God mij wil geven om in mijn situatie tot eer van Hem te leven… Ik ben zwak, zodat God door mij heen kan werken…

“Te roemen is werkelijk niet gepast voor mij” – schrijft Paulus in 2 Kor. 12. Of, zoals hij dat even later zegt, mij is een doorn in het vlees gegeven, opdat “ik mij niet zou verheffen”. Paulus herkent bij zichzelf de neiging om gauw te groot over zichzelf te denken, terwijl hij weet dat hij volkomen afhankelijk is van Gods genade.

En hoe weet hij dat zo goed? Die doorn…! Die doorn in zijn vlees…! Niet letterlijk, maar figuurlijk. Maar het doet hem pijn, heel veel pijn. Iets in zijn leven doet hem veel pijn. En er wordt veel gespeculeerd over wat die pijn, die doorn mag zijn. Ik denk dit: ik denk dat Paulus rondliep met een enorm schuldgevoel, zondebesef, vanwege al die christenen die hij de dood in heeft gestuurd… “Heer, hoe kan ik dat ooit goedmaken? Heer, wilt u die doorn uit mijn leven halen?!”

Er zijn in deze wereld veel Saulussen, die leven (zonder doorn) in het vlees, zonder worsteling met schuld en zonde. Maar er zijn ook heel veel Paulussen: mensen die in hun leven voortdurend worstelen met zo’n doorn van zondebesef, schuldgevoel. Vooral als je ouder wordt, je gaat beseffen dat je leven hier eindigt, dan kan dat besef een steeds belangrijker rol gaan spelen. Ouderen, die terugkijken op hun leven: “Heer… die doorn van mij…?”

Wat is het mooi als God dan in jouw hart spreekt: “Mijn lieve kind, mijn genade is voor jou genoeg! Die doorn van jou… die is verwerkt in de doornenkroon van de lijdende Jezus. Die doorn van jou is met Hem aan het kruis geslagen, is met Hem gestorven. Zodat jij met Hem mag opstaan in een nieuw leven!”

ds. R.J. Kranen

Geplaatst in Geen categorie.